Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de vraag of sprake was van misbruik van een door de erflater verstrekte volmacht.

In deze zaak gaat het om de betalingen die appellant heeft gedaan ten laste van de bankrekening van erflater aan zichzelf.

Hij merkt die betalingen aan als voldoening aan een natuurlijke verbintenis van erflater jegens hem.

Appellant vindt dat erflater die natuurlijke verbintenis (‘een dringende morele verplichting’) had, omdat appellant en zijn echtgenote vanaf 2008 de volledige verzorging van erflater en doorlopend de volledige behartiging van diens belangen op zich hebben genomen.

Appellant merkt die betalingen, voor zover het niet de voldoening van een natuurlijke verbintenis is, aan als schenkingen van erflater aan hem.

Geïntimeerden bestrijden dat sprake is van een natuurlijke verbintenis of schenkingen die geldig zijn gedaan namens erflater.

Erfrecht. Beheer van gelden. Volmacht. Betaling aan zichzelf. Eigen belang? Selbsteintritt. Voldoen aan een natuurlijke verbintenis? Zijn de betalingen aan zichzelf nietig?

De rechter oordeelt als volgt.

Erflater heeft de betalingen niet zelf verricht. Dat heeft [appellant] gedaan. Hij vindt zelf dat hij dat kon doen, omdat hij een algemene volmacht van erflater had om hem in alle opzichten te vertegenwoordigen.

Het is de vraag of dat juist is.

Geïntimeerden vinden dat appellant die betalingen niet kon doen en dat hij het geld moet terugbetalen aan de nalatenschap.

De wet bepaalt dat een gevolmachtigde (appellant) slechts als wederpartij van de volmachtgever (erflater) kan optreden, wanneer de inhoud van de te verrichten rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat, dat strijd tussen beider belangen uitgesloten is (artikel 3:68 BW).

Deze regel wordt in de praktijk vaak weergegeven als het verbod van Selbsteintritt.

Handelt een gevolmachtigde in strijd met dit verbod dan zijn de handelingen die hij heeft verricht nietig.

Het verbod geldt niet indien anders is bepaald.

Is in strijd gehandeld met het verbod dan kan degene in wiens naam is gehandeld (erflater of zijn erfgenamen) de rechtshandeling nog wel bekrachtigen (artikel 3:69 BW).

Deze bepaling wil voorkomen dat de gevolmachtigde op de inhoud van de rechtshandelingen waarom het gaat invloed kan uitoefenen om er zelf beter van te worden (Hoge Raad, 3 februari 2012, HR:2012:BT6947).

De eerste vraag is nu of strijd tussen de belangen van erflater en appellant is uitgesloten, zodat appellant op grond van de volmacht toch bevoegd was de betalingen aan zichzelf te doen.

De rechtshandelingen waarom het gaat zijn betalingen die appellant heeft gedaan vanaf de rekening van erflater vanwege, zoals hij zelf stelt, een natuurlijke verbintenis of vanwege schenkingen.

Het gaat om grote bedragen die een substantieel onderdeel vormen van het vermogen van erflater.

In feite is door deze betalingen het leeuwendeel van het vermogen van erflater bij appellant terecht gekomen.

De belangen van appellant en van erflater staan bij deze rechtshandelingen lijnrecht tegenover elkaar.

Het zijn rechtshandelingen waarvan appellant zelf beter wordt en erflater slechter.

Het lijkt erop dat ook appellant niet precies wist wat de inhoud van deze rechtshandelingen is en daarom achteraf maar voor twee ankers gaat liggen: natuurlijke verbintenis of schenking.

Niet is gebleken dat erflater tijdens leven op de hoogte was van deze betalingen en dat voor hem duidelijk was dat hij een natuurlijke verbintenis jegens appellant had of schenkingen aan hem wilde doen of heeft gedaan.

In de algemene volmacht zijn deze rechtshandelingen niet als zodanig omschreven.

Het hof oordeelt dan ook dat de inhoud van de rechtshandelingen waarom het hier gaat voor erflater en appellant niet zo nauwkeurig vaststond dat strijd tussen de belangen van erflater en appellant is uitgesloten.

De volgende vraag is of erflater anders heeft bepaald, dat wil zeggen dat erflater heeft bepaald dat appellant als gevolmachtigde óók wederpartij van erflater als volmachtgever kon zijn.

Appellant vindt dat erflater dat heeft bepaald omdat hij hem een algemene volmacht heeft gegeven en hij daarom alles mocht doen namens erflater, ook handelen met zichzelf.

Appellant verwijst daarvoor naar de tekst van de algemene volmacht.

Het hof is het niet met appellant eens.

In de algemene volmacht is wel bepaald dat appellant erflater – kort gezegd – in alle zaken mag vertegenwoordigen en alle handelingen mag verrichten, maar nergens is bepaald dat hij ook rechtshandelingen met zichzelf mag sluiten.

Een duidelijke bepaling dat het verbod van Selbsteintritt van artikel 3:68 BW niet geldt ontbreekt en dat is wel nodig.

Een algemene volmacht (artikel 3:62 BW) geeft niet zonder meer ook de bevoegdheid tot Selbsteintritt.

Erflater heeft appellant wel de mogelijkheid gegeven zelf een gevolmachtigde naast zich of in zijn plaats te benoemen (‘recht van assumptie en substitutie’).

Appellant heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

Dat erflater hem die mogelijkheid heeft geboden betekent anders dan appellant meent, niet dat hij toch zaken met zichzelf kon doen.

Erflater heeft appellant in zijn testament tot executeur benoemd en bepaald dat de executeur als wederpartij van zichzelf kan optreden.

Appellant vindt dat uit die bepaling is af te leiden dat erflater daarmee ook heeft bepaald dat hij als gevolmachtigde zijn eigen wederpartij kan zijn.

Dat is niet zo.

De functie van executeur is een andere dan die van volmachtgever.

Wat erflater over de ene functie (executeur) bepaalt geldt niet vanzelf ook voor de andere functie (gevolmachtigde).

Tussen deze beide functies bestaat het grote verschil dat de executeur pas na overlijden optreedt en de gevolmachtigde in beginsel alleen tijdens leven van erflater.

De uitzonderingen die de wet op deze regel kent in artikel 3:73 en 74 BW zijn hier niet van toepassing.

Dat betekent dat appellant de betalingen vanwege natuurlijke verbintenis of schenking niet kon doen en dat deze nietig zijn.

Appellant voert aan dat geïntimeerde al veel eerder een beroep daarop had moeten doen en dat de rechtsvordering tot vernietiging van die rechtshandelingen is verjaard (artikel 3:52 BW).

Dat klopt niet.

Appellant vergist zich als hij denkt dat de rechtshandelingen vernietigbaar zijn.

Vernietigbaarheid houdt in dat de betalingen in beginsel geldig zijn en dat geïntimeerde de mogelijkheid heeft deze binnen een bepaalde termijn aan te tasten.

Hier is geen sprake van vernietigbare rechtshandelingen, maar van nietige rechtshandelingen.

De wet bepaalt niet het nodig is dat geïntimeerde daarop binnen een bepaalde termijn een beroep moet doen.

Wel is het mogelijk een nietige rechtshandeling te bekrachtigen.

Erflater zelf heeft de betalingen vanwege natuurlijke verbintenis of schenking niet bekrachtigd.

Appellant bekrachtigt als executeur namens de erfgenamen de handelingen die hij met zich zichzelf heeft verricht.

Dat kan niet, omdat vaststaat dat appellant geen executeur meer is.

Zijn taak is al eerder geëindigd.

Hij kan dus niet meer namens de erfgenamen optreden.

De rechtshandelingen zijn dan ook niet bekrachtigd.

De slotsom is dat appellant niet namens erflater deze betalingen kon doen en dat de rechtshandelingen (betalingen vanwege natuurlijke verbintenis of schenking) nietig zijn.

Appellant moet de betaalde bedragen terugbetalen aan de nalatenschap.

Tot de nalatenschap behoort een vordering ter grootte van deze bedragen op appellant.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over een volmacht in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.