Het Gerechtshof Amsterdam heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de aansprakelijkheid van de executeur op grond van onrechtmatige daad.

Met de grief komt appellante op tegen het oordeel van de rechtbank dat appellante als executeur (ernstig) tekortgeschoten is in de van haar te vergen zorg en daarmee jegens geïntimeerden een onrechtmatige daad heeft gepleegd.

Appellante stelt dat zij niet verplicht was om geïntimeerden te informeren over de uitkomst van de erfrechtprocedure en evenmin om de gelden door te betalen aan geïntimeerden, omdat zij op dat moment geen opeisbare vordering op appellante hadden.

Appellante is gestopt met het informeren van geïntimeerden over het verloop van de erfrechtprocedure, omdat geïntimeerden duidelijk hadden gemaakt dat zij niets meer met de erfrechtprocedure te maken wilden hebben.

Appellante is verder ervan uitgegaan dat geïntimeerden geen recht hadden op de gelden uit het vonnis van 17 september 2003, omdat ze afstand hadden gedaan en al hadden geërfd door alle giften die zij van erflater hebben ontvangen.

Het ingekorte bedrag is eerst tot de gemeenschap van nalatenschap van erflater gaan behoren, waaruit vervolgens de schuldeisers (in dit geval appellante die kosten had voorgeschoten) dienden te worden voldaan.

Van het restant dienden te worden afgetrokken de aanzienlijke giften die geïntimeerden tijdens leven van erflater hebben ontvangen op grond van artikel 4:968 (oud) BW.

Hen kwam dan ook niets toe van de toegewezen gelden in de erfrechtprocedure.

Onrechtmatige daad executeur. Ernstige tekortkoming. Legitieme. Inkorting. Giften. Informatieplicht. Aansprakelijkheid. Schadevergoeding.

De rechter oordeelt als volgt.

Het hof heeft overwogen dat de rechtbank in de erfrechtprocedure in het vonnis van 17 september 2003 de ingekorte gelden heeft verdeeld onder de eisers in die procedure.

Er is derhalve geen gemeenschap van nalatenschap ontstaan, zoals appellante betoogt.

Onbetwist is dat (een deel van) de bij vonnis van 17 september 2003 ingekorte gelden door mr. G aan appellante zijn uitbetaald.

Eventuele door erflater aan geïntimeerden verstrekte schenkingen hadden, evenals eventuele aan appellante gedane giften, op de voet van artikel 4:968 (oud) BW moeten worden ingebracht in de erfrechtprocedure bij de vaststelling van het wettelijk erfdeel.

Dit is niet gebeurd, gelet op het vonnis van 23 september 1998, waarin de rechtbank oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat erflater (materiële) schenkingen heeft gedaan aan de eisers die bij de berekening van de legitimaire massa moeten worden betrokken.

De stelling van appellante dat zij van de ingekorte en door haar ontvangen gelden de schenkingen kon aftrekken, treft derhalve geen doel.

Hetzelfde geldt voor haar stelling dat zij terecht de schulden van de nalatenschap heeft afgetrokken van het ingekorte bedrag.

Er was immers geen sprake van een te verdelen gemeenschap van nalatenschap.

Gesteld of gebleken is evenmin dat schulden zijn ingebracht op de voet van artikel 4:968 (oud) BW bij de berekening van het wettelijk erfdeel.

Gelet op het voorgaande kan de stelling van appellante dat geïntimeerden niets meer toekwam van de ingekorte gelden, niet slagen.

Het had derhalve op de weg van appellante gelegen de uitkomst van en de ontvangst van de gelden uit de erfrechtprocedure aan geïntimeerden te melden en om aan hen de hen toekomende delen van deze gelden door te betalen.

Zij was immers degene die feitelijk bij de procedure was betrokken en de contacten met mr. G onderhield, terwijl zij wist dat geïntimeerden niet van het verloop van de procedure op de hoogte waren.

Nu zij dit heeft nagelaten heeft appellante in strijd met de rechten van geïntimeerden en met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, en daarmee onrechtmatig jegens geïntimeerden gehandeld.

De enkele omstandigheid dat appellante een juridische leek is betekent nog niet dat het nalaten te informeren en doorbetalen haar niet kan worden toegerekend, mede gelet op het feit dat appellante in de erfrechtprocedure werd bijgestaan door mr. G en dat niet valt in te zien waarom zij voor de afwikkeling niet zijn hulp had kunnen inroepen.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is naar het oordeel van het hof, zoals hiervoor ook reeds is overwogen, niet van een handelen, en daarmee ook niet van een onrechtmatig handelen, als executeur sprake.

Haar onrechtmatige handelen ziet op appellante in persoon.

Het voorgaande brengt mee dat appellante, zij het op andere gronden dan de rechtbank heeft overwogen, is gehouden de door geïntimeerden ten gevolge van het onrechtmatige handelen van appellante geleden schade te vergoeden.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.