De Rechtbank Noord-Holland heeft op 30 oktober 2019 uitspraak gedaan over de vraag of sprake was van het onttrekken van gelden na de verkoop van onroerend goed? Verbeurdverklaring?

De advocaat van eisers stelt dat gedaagde de opbrengst van het appartement van de ouders in Duitsland onder zich heeft gehouden en dat hij wat betreft de verkoop van het appartement geen rekening en verantwoording heeft afgelegd.

De advocaat van eisers verbindt daaraan de conclusie dat gedaagde zijn aandeel in de opbrengst heeft verbeurd op grond van artikel 3:194 lid 2 BW.

Gedaagde stelt dat hij de notaris wel heeft geïnformeerd over de gang van zaken rond de verkoop van het appartement.

Onttrekking van gelden na de verkoop van onroerend goed? Verbeurdverklaring?

De rechter oordeelt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat gedaagde wist dat het appartement behoorde tot de nalatenschap van de moeder.

Ook is tussen partijen niet in geschil dat gedaagde de opbrengst van de verkoop van het appartement heeft laten storten op een bankrekening waar alleen hij toegang toe had.

Ondanks verzoeken daartoe van de notaris heeft gedaagde geweigerd de verkoopopbrengst op de ervenrekening dan wel de derdenrekening van de notaris te storten.

Hoewel gedaagde naar het oordeel van de rechtbank wel gehouden was de verkoopopbrengst op de ervenrekening te storten, kan aan de gang van zaken niet de conclusie worden verbonden dat gedaagde zijn aandeel in de opbrengst heeft verbeurd aan eisers.

Artikel 3:194 lid 2 BW geeft een sanctie voor bepaalde vormen van onrechtmatig handelen:

Een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, verbeurt zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten.

Gelet op deze zware sanctie worden aan het bewijs van het opzet zware eisen gesteld.

De advocaat van eisers heeft naar het oordeel van de rechter onvoldoende onderbouwd dat van het vereiste opzet sprake is geweest.

Eisers waren op de hoogte van het feit dat het appartement in kwestie tot de nalatenschap behoorde.

De verkoop van het appartement door gedaagde vond ook plaats met instemming van eisers.

Bij e-mail van 9 juni 2017 heeft gedaagde voorts aan notaris laten weten dat hij de verkoopopbrengst onder zich zou houden, dit ‘gezien zijn persoonlijke situatie en de uitbetalingen aan de beide broers in het verleden’.

Gedaagde voegt daaraan toe dat dit de berekening van de erfdelen niet in de weg hoeft te staan.

Hoewel de inhouding, zoals hiervoor al overwogen, niet terecht was, is naar het oordeel van de rechter geen sprake geweest van het verzwijgen, zoek maken of verborgen houden van de verkoopopbrengst in de zin van artikel 3:194 lid 2 BW.

De handelwijze van gedaagde was niet gericht op het verkorten van de rechten van eisers, een vereiste in het kader van genoemd wetsartikel.

Dit leidt ertoe dat de verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld.

De primaire vordering van eisers, ertoe strekkende dat gedaagde zal worden veroordeeld ten behoeve van eisers een bedrag van € 9.000,– te betalen, zal worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de verzwijging of onttrekking van gelden of goederen uit een nalatenschap en de verbeurdverklaring van een erfdeel, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.