Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 19 november 2019 uitspraak gedaan over de uitleg van een legaat.

Appellant is de zoon van E, de erflater. E is in 1978 getrouwd met F, de stiefmoeder van appellant. Dat huwelijk is gesloten onder huwelijkse voorwaarden. Iedere verdere gemeenschap was uitgesloten. F is overleden in 2015.

E heeft zijn zoon tot zijn enig erfgenaam benoemd, onder bezwaar van een aantal legaten aan F, waaronder het saldo van ‘de bankrekening’.

Uitleg van een legaat. Saldo van een bankrekening.

De rechter oordeelt als volgt.

Het gaat hier om de uitleg van de geciteerde bepaling uit het testament van E.

De rechtbank heeft terecht vooropgesteld dat daarbij moet worden gelet op de verhoudingen die E in zijn testament kennelijk wilde regelen en op de omstandigheden waaronder dat testament is gemaakt.

De redenering van geïntimeerden is, dat de bankrekening rekening de ‘lopende rekening’ was die werd gebruikt voor het doen van betalingen. Was het saldo op die rekening te hoog, dan werd op spaarrekening bijgestort. En als extra geld nodig was, dan werd dat van die spaarrekening afgehaald. Deze rekeningen waren dus communicerende vaten, en het saldo op de lopende rekening was beperkt. Op die rekening was de rente bovendien nihil.

Omdat het de bedoeling van E was zijn echtgenote verzorgd achter te laten, moet het zijn bedoeling zijn geweest beide rekeningen onder het legaat te laten vallen.

Het ligt op de weg van geïntimeerden om deze uitleg aannemelijk te maken. Daarin zijn zij niet geslaagd.

De reden daarvoor is in de eerste plaats dat zij niet hebben onderbouwd dat de spaarrekening inderdaad werd gevoed door overgespaarde inkomsten en werd gebruikt voor gemeenschappelijk uitgaven.

Hoewel zij daartoe de gelegenheid hebben gehad, is bijvoorbeeld geen beroep gedaan op bankafschriften waaruit dat blijkt.

Daar komt bij dat appellant beweert dat hiervan juist geen gemeenschappelijke uitgaven werden gedaan en dat het saldo uitsluitend door appellant is opgebouwd. Op basis van wat de rechter bekend is, valt niet uit te sluiten dat hij daar gelijk in heeft.

Uit de staat van aanbrengsten blijkt namelijk dat E indertijd een vordering in rekening-courant van ABN van fl. 21.053,41 heeft ingebracht. Uit een brief van ABN AMRO van 24 januari 2017 blijkt dat dit krediet toen, vanaf 28 april 1978, stond geregistreerd op de bankrekening.

Vast staat dat E later zijn bedrijfsinventaris heeft verkocht. Het is aannemelijk dat die transactie in een positief saldo op de bankrekening heeft geresulteerd, dat nadien kan zijn aangegroeid. Dat van de kant van F aan dat saldo is bijgedragen, blijkt nergens uit.

De rekening stond indertijd uitsluitend op naam van E.

Weliswaar is die later omgezet in een en/of-rekening, maar dat betekent niet dat dit spaartegoed vanaf dat moment als gemeenschappelijk moest worden beschouwd.

Dat dat niet het geval was is bevestigd door H. Deze accountant heeft op 3 maart 2017 geschreven dat hij het concept testament op 3 juli 2012 met E en F heeft doorgenomen. Gezamenlijk had men volgens hem een privérekening die gedeeld moest worden. De spaarrekening is in deze bespreking niet aan de orde geweest, omdat dit saldo aan E behoorde. Het was bovendien uitdrukkelijk de bedoeling de persoonlijke bezittingen aan de eigen kinderen toe te scheiden, aldus deze accountant.

Beide echtgenoten hadden in zijn benadering een vergelijkbaar saldo op een eigen spaarrekening staan dat zij voor hun kinderen wilden reserveren.

De notaris die het testament heeft gepasseerd, onderschrijft deze benadering. Hij heeft op 8 maart 2018 namelijk geschreven dat het de bedoeling is geweest slechts het saldo van één gezamenlijke bankrekening te legateren.

Dat zou volgens hem dan de gezamenlijke bankrekening moeten betreffen die ten tijde van het opmaken van het testament bestond.

Omdat partijen het erover eens zijn dat de gezamenlijke rekening in ieder geval onder het legaat valt, is door deze verklaring onwaarschijnlijk dat dit toch ook opgaat voor de spaarrekening.

Geïntimeerden hebben de door hen gegeven uitleg van het legaat niet nader onderbouwd en hebben ook geen bewijs aangeboden van feiten of omstandigheden die die uitleg zouden kunnen ondersteunen.

Dat betekent dat er in dit hoger beroep van moet worden uitgegaan dat het saldo op de bankrekening niet onder het legaat viel.

De conclusie moet dan luiden dat hun vordering tot een bedrag van € 29.757,73 ten onrechte is toegewezen.

In zoverre slagen de grieven.

Tegen de beslissing dat appellant ten onrechte € 1.500,- van de betaalrekening heeft opgenomen (de legaatrekening waartoe alleen geïntimeerden gerechtigd waren), is niet duidelijk geprotesteerd.

In zoverre blijft de beslissing van de rechtbank in stand.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de uitleg van een testament of van een legaat, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.