Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 16 juni 2020 uitspraak gedaan over de vraag of een erfgenaam zich had berust in een vonnis over de verdeling van een nalatenschap.

Deze zaak gaat over de verdeling van de nalatenschap van een moeder tussen haar vier dochters.

Partijen zijn twee van de vier kinderen van de erflaatster.

Geïntimeerde voert aan dat zij na het eindvonnis het initiatief genomen om te komen tot verdeling en afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster.

Op 28 augustus 2018 heeft verdeling plaatsgevonden van de sieraden. Gelijktijdig hebben ze afspraken gemaakt over de verdeling van foto’s, de financiële afwikkeling en de resterende roerende zaken.

Geïntimeerde verkeerde in de veronderstelling en vertrouwde er op dat – gelet op de gemaakte afspraken en uitvoering daarvan zich neerlegden bij het vonnis.

Appellante heeft toch besloten in hoger beroep in te stellen.

Geïntimeerde acht het uiterst opmerkelijk dat appellante de gang van zaken na het vonnis niet kenbaar heeft gemaakt aan het hof.

Gelet op de conclusie van geïntimeerde tot onder meer niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep van appellante, overweegt het hof voor het geval geïntimeerde heeft bedoeld een beroep te doen op berusting in het vonnis door appellante in de zin van art. 334 Rv., als volgt.

Verdeling van een nalatenschap. Berusting? Processueel ondeelbare rechtsverhouding in hoger beroep.

De rechter oordeelt als volgt.

Het hof overweegt dat naar vaste jurisprudentie geldt dat van berusting slechts sprake kan zijn ingeval de in het ongelijk gestelde partij na de uitspraak jegens de wederpartij een houding heeft aangenomen waaruit in het licht van de omstandigheden van het geval ondubbelzinnig blijkt dat zij zich bij de uitspraak neerlegt.

Indien de wederpartij uit haar uitlatingen heeft afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft mogen afleiden dat de in het ongelijk gestelde partij op ondubbelzinnige wijze haar wil om in het vonnis te berusten tot uitdrukking heeft gebracht, kan jegens die wederpartij op het ontbreken van die wil geen beroep worden gedaan (HR:1986:AC9310).

Berusting kan ook blijken uit gedragingen of uit een houding waaruit in het licht van de omstandigheden van het geval blijkt dat iemand zich ondubbelzinnig bij de uitspraak heeft neergelegd (HR:2006:AV3373 en HR:2010:BN6126).

De eis van ondubbelzinnigheid brengt mee dat de rechter zich terughoudend moet opstellen bij het aannemen van berusting in verband met de ingrijpende gevolgen die daaraan verbonden zijn.

Er mag geen twijfel over bestaan dat de bedoeling heeft bestaan dat berust wordt in de uitspraak.

De enkele voldoening aan een uitspraak levert geen berusting op, dus ook niet als dit vrijwillig, zonder voorbehoud of onverplicht gebeurt (HR:1991:ZC0146).

Nu geïntimeerde onvoldoende heeft gesteld om aan te kunnen nemen dat appellante meer heeft gedaan dan enkel uitvoering geven aan de uitspraak van de rechtbank, blijkt naar het oordeel van het hof niet dat er geen twijfel kan zijn of appellante de bedoeling heeft gehad te berusten in de uitspraak.

Van de vereiste ondubbelzinnigheid is dus in deze zaak geen sprake, zodat het beroep op berusting wordt gepasseerd.

Processueel ondeelbare rechtsverhouding

De vorderingen in de onderhavige procedure betreffen de verdeling van de nalatenschap van de moeder en daarmee een processueel ondeelbare rechtsverhouding.

Het gaat daarbij om een beslissing die in dezelfde zin moet luiden ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen.

Bij arrest van 10 maart 2017 heeft de Hoge Raad (HR:2017:411) beslist dat in een procedure over een processueel ondeelbare rechtsverhouding alle bij die rechtsverhouding betrokken partijen in de procedure moeten worden betrokken.

Indien daarvan sprake is, kan de rechter slechts een beslissing geven in een geding waarin alle bij de rechtsverhouding betrokkenen partij zijn zodat de rechterlijke beslissing hen allen bindt.

Laat degene die een beslissing wil uitlokken over een processueel ondeelbare rechtsverhouding na om alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te roepen, dan dient de rechter ook ambtshalve de gelegenheid te geven om de niet opgeroepen personen alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op voet van artikel 118 Rv.

In eerste aanleg is de rechtbank ook uitgegaan van deze jurisprudentie en heeft alle betrokken partijen in de gelegenheid gesteld verweer te voeren.

Ook in hoger beroep moeten alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen de mogelijkheid krijgen hun standpunt te verwoorden.

Dit betekent dat het hof appellante de gelegenheid zal geven om haar zussen alsnog in het geding te betrekken door oproeping op voet van artikel 118 Rv.

Het hof zal dan ook beslissen als volgt en iedere verdere beslissing aanhouden.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over een processueel ondeelbare rechtsverhouding in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.