Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 23 juni 2020 uitspraak gedaan over de vraag er een tijdig beroep was gedaan op de legitieme?

Erflaatster heeft bij testament van 31 maart 2005 over haar nalatenschap beschikt.

Erflaatster heeft de broer en geïntimeerde onterfd en appellant tot haar enig erfgenaam en executeur benoemd.

Met de eerste grief maakt appellant bezwaar tegen de beoordeling van de rechtbank dat hem geen beroep toekomt op het verstrijken van een redelijke termijn ex art. 4:85 BW.

Hij voert onder meer aan dat de rechtbank ten onrechte de periode tussen het moment van overlijden en het moment van het stellen van de termijn heeft betrokken bij de beoordeling en stelt dat de termijn ‘op zich’ redelijk moet zijn, niet de termijn daaraan voorafgaand.

Verder heeft appellant de afwikkeling van de nalatenschap direct voortvarend ter hand genomen, zoals naar hij begreep ook zijn zus voor ogen had.

Hij heeft van de mogelijkheid tot het stellen van een redelijke termijn gebruik gemaakt om de afwikkeling van de nalatenschap voortvarend te kunnen laten verlopen en duidelijkheid en rechtszekerheid te krijgen ten aanzien van ieders rechtspositie en dat is ook wat de wetgever voor ogen had bij het introduceren van “de redelijke termijn”.

Appellant heeft geïntimeerde daarbij geen ingewikkelde keuze voorgelegd; ze hoefde enkel kenbaar te maken of zij wel of geen beroep deed op haar legitieme portie.

Met een enkel antwoord “wel” of “geen” was dit duidelijk geweest.

Daarnaast is het ook van belang dat het uitgangspunt van de belastingdienst is dat de aangifte erfbelasting ten spoedigste, maar uiterlijk binnen acht maanden na het overlijden wordt verzorgd.

Ook als overige termijnen binnen het erfrecht worden betrokken, dan is een termijn van 30 dagen alleszins redelijk.

De advocaat van appellant verwijst daarbij naar onder meer richtlijnen en modelbrieven van het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel, Kanton en Toezicht (hierna: LOVCK&T).

Ten slotte gaat de vervaltermijn van vijf jaar lopen zonder een actieve informatieplicht van de erfgenamen.

Appellant heeft dit juist voorkomen door [geïntimeerde] actief te informeren op 9 maart 2012 en haar op 3 april 2012 een termijn te stellen.

In de tweede grief brengt appellant naar voren dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep op het verstrijken van een periode van ruim 4 jaar en 9 maanden na het overlijden van erflaatster niet in de afweging heeft meegewogen.

De advocaat van appellant verwijst naar de parlementaire geschiedenis en voert aan dat gezien de termijnstelling, ook indien 30 dagen niet als “redelijk” kan worden gekwalificeerd, van een legitimaris verlangd mag worden dat deze zich ten spoedigste uitlaat over diens beroep op de legitieme portie en aldus niet een termijn van ruim 4 jaar en 10 maanden voorbij laat gaan alvorens daadwerkelijk een beroep op de legitieme wordt gedaan.

Dit is onder meer niet redelijk in het licht van de over en weer gestuurde correspondentie met daarin vanuit geïntimeerde reeds gestelde claims op de nalatenschap, de termijnstelling door appellant en zijn rappel nadien op 4 augustus 2012.

Appellant legt verder met de grief het oordeel voor van de rechtbank dat zijn beroep op de redelijkheid en billijkheid dan wel rechtsverwerking faalt.

Hij voert daarbij aan dat geen sprake is van enkel tijdverloop of stilzitten van geïntimeerde, omdat hij geïntimeerde actief heeft geïnformeerd over haar rechtspositie als legitimaris en zij zelf heeft opgemerkt dat er voortvarend diende te worden gehandeld, bij gebreke waarvan beslag kon worden gelegd.

Erfrecht en legitieme. Is er een tijdig beroep gedaan op de legitieme? Termijn. Bewijs.

De rechter oordeelt als volgt.

Volgens appellant heeft geïntimeerde na het overlijden van vader in 2001 geen enkel contact meer gehad met erflaatster, hun moeder. Erflaatster heeft appellant in 2001 en 2004 bij notariële akten een volmacht gegeven om haar zaken te beheren en haar belangen waar te nemen.

Erflaatster is overleden op 2 maart 2012 . Volgens appellant heeft hij na haar overlijden de afwikkeling van de nalatenschap voortvarend ter hand genomen, hij deed al voorafgaand aan het overlijden de financiële zaken van erflaatster en kon na het overlijden de boedel spoedig in kaart brengen, aldus appellant.

Geïntimeerde heeft in haar brief van 22 maart 2012 aan de notaris en haar brief van 27 maart 2012 aan appellant geschreven dat zij recht heeft op haar legitieme portie ‘wat van mijn vader is blijven staan bij moeder’ en dat rekening en verantwoording moet worden afgelegd.

Appellant heeft erkend dat geïntimeerde in deze brieven de nodige claims op de nalatenschap vermeldde. Volgens hem leidde mede de opmerking van geïntimeerde in haar brief aan de notaris dat ‘anders kan er beslag worden gelegd’ ertoe dat hij zo spoedig mogelijk duidelijkheid wilde ten aanzien van het beroep van geïntimeerde op haar legitieme portie.

Appellant heeft daarom in zijn brief van 3 april 2012 aan geïntimeerde de termijn van 30 dagen gesteld om kenbaar te maken of zij een beroep wilde doen op haar legitieme portie ‘in de nalatenschap van moeder’ en haar ook een kopie van het testament toegezonden, aldus appellant.

Uit het voorgaande volgt dat appellant al kort na het overlijden van erflaatster op de hoogte was van het beroep van geïntimeerde op haar legitieme portie. De omvang daarvan stond op dat moment voor geïntimeerde nog niet vast. Appellant wist ook dat geïntimeerde verzocht om het doen van rekening en verantwoording.

Het hof is van oordeel dat het op de weg van appellant had gelegen om geïntimeerde vervolgens van voldoende informatie te voorzien op basis waarvan zij kon beoordelen wat de omvang van haar legitieme portie was.

Niet gebleken is dat appellant geïntimeerde toen van dergelijke informatie, bijvoorbeeld een boedelbeschrijving met onderliggende stukken, heeft voorzien.

In plaats daarvan heeft appellant in zijn brief van 3 april 2012 aan geïntimeerde haar slechts een kopie toegezonden van het testament van erflaatster en een termijn van 30 dagen gesteld om kenbaar te maken of zij een beroep op haar legitieme portie wilde doen.

Het hof is van oordeel dat deze door appellant gehanteerde termijn van 30 dagen in de gegeven omstandigheden niet redelijk is.

Het had op de weg van appellant gelegen om geïntimeerde na haar verzoeken op 22 en 27 maart 2012 in elk geval te voorzien van een deugdelijke boedelbeschrijving, met name nu hij al voor het overlijden van erflaatster haar financiën deed en daarvan dus op de hoogte was.

Hierbij is ook van belang dat de band tussen geïntimeerde en erflaatster niet hecht meer was en zij na haar overlijden afhankelijk was van de informatie waarover haar broer (appellant) beschikte.

Het beroep van appellant op de door de belastingdienst gehanteerde en in de richtlijnen en modelbrieven van het LOVCK&T genoemde termijnen leidt niet tot een ander oordeel, alleen al omdat deze betrekking hebben op andere situaties.

Los hiervan heeft appellant in ieder geval binnen de termijn van vijf jaar zoals bedoeld in art. 4:85 lid 1 BW de brief van de gemachtigde van geïntimeerde van 20 januari 2017 ontvangen waarin geïntimeerde aanspraak maakt op haar legitieme portie.

Het beroep dat appellant in dit verband heeft gedaan op rechtsverwerking slaagt niet.

Het enkele tijdsverloop tussen het overlijden van erflaatster op 2 maart 2012 en de brief van geïntimeerde van 20 januari 2017 is hiervoor naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad niet voldoende.

Bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij appellant op enig moment het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat geïntimeerde haar aanspraak op de legitieme portie niet meer geldend zou maken of waardoor appellant onredelijk zou worden benadeeld omdat hij de boedel inmiddels al jaren volledig heeft afgewikkeld, zijn niet gebleken.

Ook is het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar dat geïntimeerde alsnog aanspraak maakt op haar legitieme portie.

Overige feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel leiden zijn niet gebleken. Daarmee falen de grieven.

Al zou het voorgaande anders zijn en het hof er van uit gaat dat (één van) de grieven van appellant wel zou(den) slagen, dan nog geldt het volgende.

Geïntimeerde heeft in hoger beroep haar stelling niet prijsgegeven dat zij in haar brieven van 22 maart 2012 aan de notaris en 27 maart 2012 aan appellant aanspraak heeft gemaakt op haar legitieme portie.

Appellant heeft over de tekst van de brief van geïntimeerde van 22 maart 2012 als verweer gevoerd dat hij de opmerking van geïntimeerde in haar brief (Recht op mijn legitieme portie wat van mijn vader is blijven staan bij moeder”) niet kon plaatsen, omdat er geen legitieme portie van vader bij moeder was blijven staan.

Geïntimeerde heeft immers op 30 maart 2007 een overeenkomst getekend, waaruit volgt dat erflaatster afstand heeft gedaan van haar vruchtgebruik en de kinderen hun kindsdeel uit de nalatenschap van vader toen reeds volledig toegekomen is. Appellant stelt dat hij die betaling in twee etappes heeft gedaan op 11 april 2007.

Het hof overweegt dat in de brieven van geïntimeerde van 22 en 27 maart 2012 niet letterlijk staat dat ze een beroep doet op haar legitieme portie.

Zij erkent dat zelf ook en stelt dat de tekst in de eerste brief wat minder handige bewoordingen is toegezonden aan appellant en de notaris.

Tegelijkertijd staat in die eerste brief wel: “Wij hebben echter nog te goed van U” en in de tweede brief: “Nalatenschap vader en moeder. Aangaande over lijden moeder zijn er wel nog zaken te regelen ondanks dat je denkt alles zelf te wil hebben zijn er de volgende problemen welke toch opgelost dien te worden.”.

Het gaat hier verder om brieven die een zus schrijft aan haar broer (en de notaris), waarbij niet in geschil is dat de nalatenschap van vader geheel is afgewikkeld.

Dat is ook wat appellant aan zijn zus laat weten bij e-mail van 28 maart 2012, waarna hij in diezelfde mail schrijft dat geïntimeerde de notaris heeft aangeschreven om een opdracht uit te voeren, maar dat zij zich tot appellant moet wenden om het wettelijk legitiem erfdeel van moeders nalatenschap op te eisen.

Vervolgens nodigt appellant zijn broer en zus per e-mail van 3 april 2012 uit om hem schriftelijk te berichten of zij een beroep doen op de legitieme portie.

Daarna antwoordt geïntimeerde op 18 april 2012 op deze termijnstelling: “Voorts heb ik me al gemeld bij de notaris (…)”.

Het hof leidt uit het voorgaande af dat appellant heeft begrepen, dan wel redelijkerwijs heeft kunnen begrijpen dat geïntimeerde in voormelde brieven een beroep heeft gedaan op haar legitieme portie, waardoor een nadere termijnstelling door hem overbodig was.

Het door appellant gedane bewijsaanbod is niet voldoende specifiek en niet ter zake dienend, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

Het hoger beroep faalt en het hof zal het bestreden vonnis van de rechtbank bekrachtigen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over termijnen in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.