De Rechtbank Noord-Nederland heeft op 19 juni 2019 uitspraak gedaan de vraag of er een verplichting bestond tot het afleggen van rekening en verantwoording over het financieel beheer over het vermogen van vader.

Partijen zijn op grond van het wettelijke versterferfrecht de gezamenlijke erfgenamen. Tot de nalatenschap behoren, voor zover van belang, enkele betaal- en spaarrekeningen en inboedel.

Het geschil heeft in de kern betrekking op de verdeling van de nalatenschap van vader. Het grootste geschilpunt betreft de wijze waarop de bankzaken van vader vanaf zijn opname in het ziekenhuis tot aan zijn overlijden zijn behartigd, wat is toegespitst op de overboekingen van geldbedragen.

Verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording over het financieel beheer over het vermogen van vader? Misbruik van omstandigheden?

De rechter oordeelt als volgt.

Volgens vaste rechtspraak kan een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording worden aangenomen indien tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de een jegens de ander (de rechthebbende) verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden.

Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht (vgl. onder meer HR 2 december 1994, HR:1994:ZC1561, NJ 1995/548 en HR 8 december 1995, HR:1995:ZC1911, NJ 1996/274).

Aan het oordeel dat op grond van ongeschreven recht een verplichting bestaat om zich te verantwoorden over de behoorlijkheid van het over het vermogen van een ander gevoerd beheer, kan bijdragen dat sprake is van een rechtsverhouding die verwantschap vertoont met een of meer in de wet geregelde gevallen waarin een dergelijke verplichting is neergelegd, zoals gemeenschap, opdracht of zaakwaarneming.

Voor het overige is het antwoord op de vraag of een zodanige verantwoording geboden is, sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Omstandigheden die in dit verband een rol kunnen spelen zijn onder meer: (i) de redenen waarom het beheer is gevoerd, (ii) de verhouding die bestond tussen degene die het beheer voerde en de rechthebbende, (iii) hetgeen in de relatie tussen partijen of in soortgelijke gevallen gebruikelijk is of was, (iv) de mate waarin degene die het beheer voerde, zelfstandig kon en mocht handelen, en (v) de mate waarin de rechthebbende in staat is geweest de handelingen van degene die het beheer voerde te overzien en voor zijn belangen op te komen. (HR:2014:1089).

Uit de stellingen van partijen volgt dat uitsluitend de zoon in de betreffende periode met het beheer van de bankzaken van vader belast is geweest.

Ten aanzien van de verplichting om zich te verantwoorden over de behoorlijkheid van het over het vermogen van vader gevoerde beheer, zijn met name de volgende omstandigheden van doorslaggevend belang.

Tot 2014 heeft eiser de bankzaken van vader behartigd. Nadat de verhoudingen tussen eiser en vader verstoord zijn geraakt, heeft gedaagde het beheer overgenomen. De banktegoeden bedroegen toen ongeveer € 30.000 of € 40.000. Vader was ten tijde van het verstrekken van de volmacht ongeveer 79 jaar oud; uit de stellingen van partijen volgt dat vader toen (en in elk geval tot aan zijn opname) wilsbekwaam was.

Er zijn in de volmacht geen beperkingen aan de uitoefening van de bevoegdheid om te beschikken over de banktegoeden gesteld, noch is er een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording opgenomen.

Gesteld noch gebleken is dat vader bij leven bezwaren heeft geuit tegen de wijze waarop gedaagde de bankzaken behartigde, dan wel anderszins om rekening en verantwoording heeft verzocht.

De overboekingen zijn niet aan gedaagde zelf gedaan. Dat gedaagde begunstigde van enkele overboekingen was, laat onverlet dat gedaagde daarvan persoonlijk geen profijt heeft gehad.

Dat de overige overboekingen niet aan vader ten goede zijn gekomen, maar door of ten behoeve van gedaagde zijn besteed, is voorts niet nader onderbouwd.

In dit verband is van belang dat gedaagde in de correspondentie voorafgaande aan deze procedure, heeft uitgelegd dat met de betreffende gelden boodschappen en aankopen ten behoeve van vader zijn gedaan, zoals een bril, kleding en schoeisel.

Door eiser is geen nadere toelichting gegeven waarop deze opgave niet zou kunnen kloppen.

Het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd, betekent dat er in beginsel van uitgegaan zal worden dat de overboekingen in opdracht van vader, althans met zijn instemming zijn gedaan.

Dat is slechts dan anders indien, zoals eiser betoogt, vader in de betreffende periode niet meer in staat was om zijn wil te bepalen c.q. indien er misbruik van omstandigheden is gemaakt.

Het een noch het ander is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan.

Hiertoe is het volgende redengevend.

De erfgenamen hebben onweersproken gesteld dat vader vóór zijn opname al huishoudelijke hulp via de thuiszorg kreeg.

In de motivering van het overgelegde indicatiebesluit van 8 juli 2015 (de ZZP 4-indicatie) staat dat “gebleken is dat u niet in staat bent om zelf de regie over uw huishouden te voeren” zodat de hulp vanaf toen “voorzieningen voor het doen van boodschappen en wassen” behelsde.

Uit de motivering van dit besluit blijkt echter niet dat er enig verband bestaat tussen het afgeven van deze indicatie en de geestelijke vermogens van vader. Het indicatiebesluit van 9 maart 2016 (de ZZP 5-indicatie) is niet in het geding gebracht, maar partijen zijn het er kennelijk over eens dat deze indicatie normaliter wordt afgegeven wegens “dementie en ouderdom”.

Uit het feit dat vader een ZZP 5-indicatie heeft gekregen, kan hooguit worden afgeleid dat hij geestelijk achteruit aan het gaan was.

Bij gebrek aan nadere informatie daarover kan echter niet vastgesteld worden in welke mate daar sprake van was.

Aangezien er volgens gedaagde een andere reden was om de ZZP 5-indicatie aan te vragen, lag het op de weg van eiser om nadere feiten en omstandigheden aan te dragen teneinde de gevolgtrekking te kunnen maken dat vader niet langer wilsbekwaam zou zijn.

Het door eiser beschreven voorval van 19 november 2015 waarbij volgens hem vader in verwarde toestand naar de woning van eiser is gelopen, wat daar verder ook van zij, beschouwt de rechter daartoe onvoldoende.

Voor het overige heeft eiser niets concreets aangevoerd.

Daarmee is niet vast komen te staan dat vader in de betreffende periode niet meer in staat was om zijn wil te bepalen.

Dat gedaagde anderszins misbruik van de omstandigheden heeft gemaakt, zoals eiser betoogt, kan evenmin vastgesteld worden.

De enkele omstandigheid dat gedaagde de overboekingen heeft uitgevoerd, waardoor de banktegoeden van vader aanmerkelijk zijn afgenomen ten opzichte van de periode waarin eiser de bankzaken heeft behartigd, is onvoldoende om die gevolgtrekking te maken.

Ook hier geldt dat eiser voor het overige niets concreets heeft aangevoerd.

Resumerend zijn gedaagden niet gehouden om aan eiser rekening en verantwoording af te leggen over de overboekingen.

Bij de verdere beoordeling zal ervan uitgegaan worden dat de overboekingen in opdracht van vader, althans met zijn instemming zijn gedaan.

Van enige terugbetalingsverplichting uit dien hoofde kan dan ook geen sprake zijn, dus ook niet van een verbeurdverklaring.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de wilsonbekwaamheid van de erflater of het afleggen van rekening en verantwoording in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.