Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft 29 oktober 2019 uitspraak gedaan over de vraag of een woning, die tot een nalatenschap behoorde, tijdelijk moest worden uitgesloten van de verdeling.

Partijen zijn deelgenoten in de nalatenschap van de vader. Tot deze nalatenschap behoort een woning.

Over de verdeling van deze woning kunnen partijen niet tot overeenstemming komen. De wederzijdse standpunten liggen ver uiteen.

Appellant vordert te bepalen dat de verdeling van de woning, waarin hij sinds zijn geboorte woont, op grond van artikel 3:178 lid 3 BW wordt uitgesloten voor een periode van drie jaren, te rekenen vanaf de datum van afgifte van het vonnis.

Geïntimeerde vordert (primair) te bepalen dat zij bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik en beheer van de woning en dat appellant de woning dient te ontruimen.

Verdeling van een nalatenschap. Moet een woning, die tot nalatenschap behoort, tijdelijk worden uitgesloten van de verdeling van de nalatenschap? Belangenafweging.

De rechter oordeelt als volgt.

Artikel 3:178 lid 3 BW bepaalt dat indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend, de rechter voor wie een vordering tot verdeling aanhangig is, op verlangen van een deelgenoot een of meermalen, telkens voor ten hoogste drie jaren, een vordering tot verdeling kan uitsluiten.

Bij beantwoording van de vraag of de door de verdeling getroffen belangen aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door verdeling zijn gediend, moeten de belangen van beide partijen tegen elkaar worden afgewogen, rekening houdend met alle feiten en omstandigheden van het geval.

Het hof acht het belang van geïntimeerde om tot verdeling (verkoop) van de woning te kunnen komen aanmerkelijk groter dan het belang van appellant om nog een periode in de woning te kunnen blijven wonen.

De vader van partijen is op 25 augustus 2015 overleden, en sinds die tijd is de verdeling van de woning feitelijk al uitgesteld, doordat appellant in de woning is blijven wonen en hij (met succes) de verkoop daarvan heeft tegengehouden.

Vaststaat dat appellant, die sinds januari 2017 een bijstandsuitkering ontvangt, de woning niet kan overnemen.

De woning is niet belast met een hypotheek en vertegenwoordigt een waarde van circa € 200.000,.

Appellant zal daarom, bij toedeling van de woning aan hem, geïntimeerde dienen uit te kopen met een bedrag van circa € 100.000,-.

Appellant is daartoe financieel niet in staat, en heeft evenmin aangetoond dit op termijn wel te zullen zijn.

Ter zitting bij het hof heeft de advocaat van appellant erkend dat appellant de afgelopen jaren geen onderhoud aan de woning heeft verricht, waardoor de staat van de woning achteruit is gegaan.

Eveneens is nogmaals duidelijk geworden dat appellant geïntimeerde, die net als appellant deelgenoot is in de nalatenschap en om die reden evenzeer gerechtigd is tot het gebruik en beheer van de woning, niet toelaat op het erf en/of in de woning.

De stelling van appellant dat geïntimeerde geen financieel nadeel ondervindt van het uitstellen van de vordering tot verdeling omdat hij aan haar een maandelijkse gebruiksvergoeding betaalt snijdt evenmin hout.

Appellant heeft deze vergoeding namelijk tot op heden niet betaald.

Daarnaast bestaat het nadeel van geïntimeerde ook uit het teruglopen van de waarde van de woning wegens het achterwege blijven van onderhoud.

Tot slot kan in redelijkheid niet van geïntimeerde worden verlangd dat zij nog langer in een onverdeeldheid blijft.

Deze onverdeeldheid bestaat al geruime tijd en de verstandhouding tussen de deelgenoten is ernstig verstoord.

Al deze belangen van geïntimeerde wegen zwaarder dan het belang van appellant om in de woning te mogen blijven wonen omdat hij hieraan verknocht is.

Daarbij telt ook mee dat geïntimeerde sinds het overlijden van de vader al meer dan vier jaren in de woning heeft kunnen verblijven.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of de door geïntimeerde gevorderde ontruiming kan en moet worden toegewezen.

Appellant heeft aangevoerd dat de vordering van geïntimeerde dient te worden aangemerkt als een beheersregeling zoals bedoeld in artikel 3:168 BW, en dat geïntimeerde daartoe een verzoek bij de kantonrechter had moeten indienen.

Het hof is evenwel van oordeel dat door appellant als deelgenoot gebruik wordt gemaakt van de woning op een wijze die niet te verenigen is met de rechten van geïntimeerde, als mede-deelgenoot.

Artikel 3:169 BW geeft aan de rechter de ruimte om met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid vast te stellen welk gebruik iedere deelgenoot van het gemeenschappelijk goed mag maken.

De rechter is daarbij niet gebonden aan het uitgangspunt dat de deelgenoten gelijke rechten hebben.

Gelet op de hierboven geschetste omstandigheden acht het hof het in strijd met de redelijkheid en billijkheid om van geïntimeerde te vergen dat appellant nog langer gebruik maakt van de woning, en zal haar vordering tot ontruiming dan ook worden toegewezen.

Hierbij speelt ook een rol dat appellant ter zitting bij het hof zeer stellig heeft aangegeven ook in geval het hof zou oordelen dat de woning dient te worden verkocht hieraan zijn medewerking niet te zullen verlenen.

Omdat geïntimeerde als deelgenoot recht heeft om de woning te gebruiken, terwijl appellant het gebruik wordt ontzegd, heeft geïntimeerde geen belang bij het door haar gevorderde uitsluitende gebruik van de woning, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de verdeling van onroerend goed, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.