De Rechtbank Noord-Nederland heeft op 4 november 2019 uitspraak gedaan over een verzoek om een machtiging om de nalatenschap alsnog beneficiair te aanvaarden op grond van artikel 4:194a lid 1 BW.

Verzoek om een machtiging om de nalatenschap alsnog beneficiair te aanvaarden bij een onverwachte schuld.

De rechter oordeelt als volgt.

Het verzoek op grond van artikel 4:194a lid 1 BW moet worden ingediend binnen drie maanden na ontdekking van de schuld.

De eerste vraag die hier beantwoord moet worden, is of sprake is van een schuld.

De kantonrechter overweegt als volgt. Volgens de toelichting op het wetsvoorstel dat heeft geleid tot onder andere artikel 4:194a lid 1 BW (Kamerstukken II 2014/15, 34 224, nr. 3, p. 6) wordt met deze bepaling een oplossing geboden voor het probleem dat in uitzonderlijke gevallen een erfgenaam die zuiver heeft aanvaard, wordt geconfronteerd met een onverwachte schuld van de erflater en deze uit eigen vermogen moet betalen, omdat het nalatenschapssaldo ontoereikend is voor de voldoening van deze schuld.

In het licht van deze ratio is de kantonrechter van oordeel dat voor een beroep op artikel 4:194a lid 1 BW niet (in rechte) vast hoeft te staan dat sprake is van een schuld als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 BW.

Uiteraard zal er wel sprake moeten zijn van een claim die enige kans van slagen heeft en die op enige manier gerelateerd kan worden aan erflaatster of haar nalatenschap.

In dit geval is daar sprake van.

Verweerster heeft ruim anderhalf jaar na het overlijden € 145.094,- aan erflaatster overgemaakt onder vermelding van ‘aflossing schuld overname boerderij’, terwijl uit het testament blijkt dat hij de vordering wegens geldlening had gelegateerd.

De claim van verweerders heeft daarom naar het oordeel van de kantonrechter enige kans van slagen.

Bovendien bestaat het risico dat het nalatenschapssaldo ontoereikend is als de claim zou komen vast te staan.

Het voorgaande is tezamen, naar het oordeel van de kantonrechter, voldoende voor een beroep op artikel 4:194a lid 1 BW.

Vervolgens moet de kantonrechter beoordelen wanneer verzoekers de claim hebben ontdekt.

Volgens de advocaat zijn verzoekers pas bekend geworden met de claim na ontvangst van de brief van verweerster van 29 april 2019.

Omdat verweerster ter zitting heeft verklaard dat zij voor het verzenden van deze brief geen contact met verzoekers had opgenomen omdat partijen geen contact met elkaar hadden vanwege de verstoorde verhoudingen, gaat de kantonrechter ervan uit dat verzoekers de claim inderdaad hebben ontdekt op 29 april 2019.

Onderhavig verzoek is ingediend op 19 juli 2019, zodat het binnen drie maanden na ontdekking van de claim is ingediend.

Verzoekers zijn derhalve ontvankelijk in hun verzoek.

Is er sprake van een onverwachte schuld?

De kantonrechter overweegt dat de bescherming van artikel 4:194a BW alleen kan worden ingeroepen voor een onverwachte schuld.

Een onverwachte schuld is een schuld die een erfgenaam niet kende en evenmin behoorde te kennen op het moment dat hij de nalatenschap zuiver aanvaardde.

Met de woorden “kende en behoorde te kennen” wordt aangesloten bij het begrip goede trouw in het Burgerlijk Wetboek.

De goede trouw ontbreekt als de erfgenaam van het bestaan van de schuld wist op het moment van de aanvaarding van de nalatenschap.

Ook als een erfgenaam weliswaar een juiste voorstelling van zaken miste met betrekking tot de aanwezige schulden, maar onder de gegeven omstandigheden – rekening houdende met zijn eventuele deskundigheid – beter behoorde te weten of twijfelde of had moeten twijfelen over (de afwezigheid van) een schuld en heeft nagelaten hiernaar nader onderzoek te doen, kan hij niet als te goeder trouw worden aangemerkt (Kamerstukken II 2014/2015, 34 224, nr. 3, p. 13).

De vraag of sprake is van een onverwachte schuld moet beoordeeld worden naar het moment dat de erfgenaam de nalatenschap zuiver aanvaardde.

Over een exacte datum hebben partijen niets gesteld.

Uit een door verzoekers overgelegd bankafschrift blijkt dat op 19 januari 2018, dus een dag na het overlijden van erflaatster, een bedrag van € 6.126,17 is overgemaakt met omschrijving ‘onkostenvergoeding’.

De bankrekeningnummers zijn dezelfde als waarop erflaatster in 2011 de twee schenkingen heeft gedaan.

Verzoekers hebben erkend dat zij die schenkingen hebben ontvangen, zodat vastgesteld kan worden dat de bedragen op 19 januari 2018 aan verzoekers zijn overgemaakt.

Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat zij beschikte over de codes van de bankrekening van erflaatster, waardoor vastgesteld kan worden dat, door bedragen van de bankrekening van erflaatster aan zichzelf over te maken, verzoekers de nalatenschap zuiver hebben aanvaard op 19 januari 2018.

Op dat moment was volgens verzoekers de claim van verweerster niet bekend. De kantonrechter komt op basis van deze feiten en omstandigheden tot het oordeel dat verzoekers de claim niet kenden op het moment dat zij de nalatenschap zuiver aanvaardden.

Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of verzoekers de schuld behoorden te kennen.

Naar het oordeel van de kantonrechter is dat niet het geval.

In het algemeen zullen erfgenamen onderzoek moeten doen na het overlijden van erflater.

Dit brengt met zich mee dat verzoekers contact hadden moeten opnemen met een notaris om na te gaan of erflaatster werkelijk geen testament had opgemaakt, zoals erflaatster volgens verzoekers altijd heeft gezegd.

Indien verzoekers dat hadden gedaan, hadden ze geweten dat er een geldlening was verstrekt door erflaatster en haar vooroverleden echtgenoot en dat de vordering uit geldlening was gelegateerd.

Voor daadwerkelijke bekendheid met de schuld is echter ook vereist dat verzoekers ermee bekend waren dat de lening (onverplicht) was afgelost.

Verweerders hebben geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat verzoekers daarvan op de hoogte waren.

Het enkele feit dat er een aanzienlijk bedrag is geschonken door erflaatster aan verzoekers is daarvoor onvoldoende.

Ook indien verzoekers het testament hadden opgevraagd, en dus wisten van de geldlening aan [naam 3] en het legaat, is niet gebleken dat verzoekers wisten of hadden moeten weten dat die lening in 2011 onverplicht was afgelost.

Het voorgaande leidt ertoe dat de kantonrechter van oordeel is dat aan verzoekers machtiging moet worden verleend om de nalatenschap van erflaatster alsnog beneficiair te aanvaarden.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de machtiging om een erfenis beneficiair te mogen aanvaarden bij een onverwachte schuld, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.