Van onze advocaat verdeling erfenis. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de vraag of de werkwijze van een gevolmachtigde bij de afwikkeling van een nalatenschap onrechtmatig was.
Tussen partijen staat vast dat kort voor het overlijden van erflater en met diens instemming is besproken dat ondanks het ontbreken van een testament en een rechtsgeldig codicil de nalatenschap zou worden afgewikkeld overeenkomstig de schriftelijke instructies van erflater van 14 maart 2014 en zijn concept testament van 22 juli 2013.
Deze overeenstemming is neergelegd in de overeenkomst van 2 november 2014 tussen enerzijds geïntimeerde en anderzijds de drie erfgenamen.
Werkwijze gevolmachtigde bij uitvoering en afwikkeling van nalatenschap onrechtmatig? Instructies en opdracht overeenkomstig de wil van erflater uitgevoerd?
De rechter oordeelt als volgt.
Deze overeenkomst houdt de opdracht aan geïntimeerde in om dienovereenkomstig te werk te gaan en een algehele volmacht om dat namens de erfgenamen te doen. Geïntimeerde heeft vervolgens uitvoering aan deze opdracht gegeven.
Met betrekking tot de overlijdensuitkering hield de instructie van erflater in dat deze aan zijn eerste echtgenote ten goede zou komen, met andere woorden dat deze deel uitmaakte van de nalatenschap hoewel dat feitelijk niet het geval was.
Vervolgens is tussen appellante en eerste echtgenote van erflater op 8 december 2014 een nadere afspraak gemaakt over hun onderlinge financiële afwikkeling; er waren behalve deze overlijdensuitkering nog andere kwesties die opgelost dienden te worden.
Die afspraak is mede door bemoeienis van geïntimeerde tot stand gekomen en leidde ertoe dat niet de gehele overlijdensuitkering naar eerste echtgenote van erflater ging, maar dat daarvan toen – na verrekening van andere posten – een bedrag van € 12.372,12 resteerde.
In het licht van de afspraken zoals deze op dat moment golden, en die eerst door de intrekking van de volmacht op 10 april 2015 zijn komen te vervallen, lag het voor de hand dat geïntimeerde dit bedrag tot de erfboedel rekende, althans dat hij ervan uitging dat lopende kosten van de boedel daaruit voldaan konden en mochten worden.
Door aldus te handelen bleef geïntimeerde binnen de grenzen van de hem verstrekte opdracht en van de aanpak zoals die partijen toen voor ogen stond.
De omstandigheid dat erfgenamen, of in ieder geval appellante met betrekking tot het restantbedrag van de overlijdensuitkering, daar nadien anders over zijn gaan denken, brengt niet mee dat het handelen van geïntimeerde overeenkomstig de instructies van erflater en de daarop gebaseerde afspraken tussen partijen jegens hen als onrechtmatig dan wel als wanprestatie kan worden bestempeld.
Het gevolg hiervan is dat de vordering van appellante zoals in deze procedure tegen geïntimeerde ingesteld een toereikende grondslag ontbeert zodat deze niet voor toewijzing in aanmerking komt.
Dit betekent dat het hof tot dezelfde slotsom komt als de kantonrechter in het vonnis van 21 december 2016 in conventie, zij het op andere gronden, zodat de grieven alsnog geen doel treffen en het vonnis – voor zover in dit hoger beroep aan de orde – wordt bekrachtigd. Appellante wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de vereffening, verdeling of afwikkeling van een erfenis, over een volmacht of over het afleggen van rekening en verantwoording in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.